Lezingen van de dag
zo ma di wo do vr za
1 2 3 4 5 6
7 8 9 10 11 12 13
14 15 16 17 18 19 20
21 22 23 24 25 26 27
28 29 30


Lezingen van 27 april 2024

Zaterdag na de vierde zondag van Pasen

Gedachtenis van de heilige Petrus Canisius, priester en kerkleraar
Peter Kanis werd in 1521 geboren te Nijmegen. Zijn vader was burgemeester van de Waalstad die toen nog tot het Duitse Rijk behoorde. Na zijn studies in Keulen werd Petrus lid van de Sociëteit van Jezus (jezuïetenorde). In 1546 werd hij tot priester gewijd. Hij blonk uit in filosofie en theologie en werd door de paus aangesteld als zijn raadgever tijdens het Concilie van Trente. De heilige Ignatius van Loyola, stichter van de jezuïetenorde, benoemde hem nadien tot leider van de Contrareformatie in de Duitssprekende landen in Europa. In woord en geschrift verdedigde hij het katholieke geloof tegenover het protestantisme. Zijn belangrijkste werk is zijn 'Duitse Catechismus'. Petrus Canisius was in zijn tijd de meest invloedrijke priester van Midden-Europa. Hij stierf op 21 december 1597 te Freibourg in Zwitserland. Katholieken vereerden hem als de Tweede Apostel van Duitsland. (St. Bonifatius als de eerste). Een deel van zijn relieken werd naar zijn geboortestad overgebracht. In 1925 verklaarde paus Pius XI hem heilig en verhief hem wegens zijn gezaghebbende geschriften tevens tot kerkleraar.


Eerste lezing: Uit de Handelingen der Apostelen, 13, 44-52.
De volgende sabbat kwam bijna de hele stad bijeen om naar het woord van God te luisteren. Bij het zien van die grote menigte werden de Joden zeer afgunstig en beantwoordden de uiteenzetting van Paulus met beschimpingen. Toen verklaarden Paulus en Barnabas in alle vrijmoedigheid: Tot u moest wel het eerst het woord van God gesproken worden, maar omdat gij het afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig keurt, daarom richten wij ons voortaan tot de heidenen. Want aldus luidt de opdracht van de Heer tot ons: Ik heb u geplaatst als een licht voor de heidenen, opdat gij tot redding zou strekken tot aan het uiteinde van de aarde. Toen de heidenen dit hoorden, waren zij verheugd en verheerlijkten het woord van God, en allen die tot het eeuwig leven waren voorbestemd, namen het geloof aan. Het woord des Heren verbreidde zich door heel die streek, maar de Joden hitsten de godvrezende vrouwen op die uit de toonaangevende kringen kwamen en ook de voornaamste burgers uit de stad; zij veroorzaakten een vervolging tegen Paulus en Barnabas en verjoegen hen uit hun gebied. Dezen schudden het stof van hun voeten, ten teken dat zij met hen gebroken hadden en gingen naar Ikonium. De leerlingen echter waren vervuld van vreugde en van de heilige Geest.


Tussenzang: Ps. 98 (97), 1. 2-3ab. 3cd-4.
Antifoon:Geheel de aarde aanschouwde
wat onze God voor ons deed.

Zingt voor de Heer een nieuw gezang
omdat Hij wonderen deed.
Zijn hand deed zich krachtig gelden,
de macht van zijn heilige arm.

Zijn weldaden deed Hij ons kennen,
de volkeren zijn gerechtigheid.
Opnieuw bleek zijn goedheid en trouw
ten gunste van Israëls huis.

Geheel de aarde aanschouwde
wat onze God voor ons deed.
Verheerlijkt de Heer, alle landen,
weest blij, verheugt u en zingt.


Alleluia:
Alleluia. Hij die alles riep in het bestaan en zich ontfermde over ons, zijn mensen, Hij is verrezen, Christus de Heer. Alleluia.


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes, 14, 7-14.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Als gij Mij zoudt kennen, zoudt gij ook mijn Vader kennen. Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem. Hierop zei Filippus: Heer, toon ons de Vader; dat is ons genoeg. En Jezus weer: Ik ben al zo lang bij u en gij kent Mij nog niet, Filippus? Wie Mij ziet, ziet de Vader. Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader? Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar het is de Vader die, blijvend in Mij, zijn werk verricht. Gelooft Mij: Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij. Of gelooft het anders omwille van de werken. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie in Mij gelooft, zal ook zelf de werken doen die Ik doe. Ja, grotere dan die zal hij doen, omdat Ik naar de Vader ga. En wat gij ook zult vragen in mijn Naam, Ik zal het doen, opdat de Vader moge verheerlijkt worden in de Zoon. Als gij Mij iets zult vragen in mijn Naam, zal Ik het doen.