Lezingen van de dag
zo ma di wo do vr za
1 2 3 4 5 6
7 8 9 10 11 12 13
14 15 16 17 18 19 20
21 22 23 24 25 26 27
28 29 30 31


Lezingen van 4 maart 2021

Donderdag in week 2 van de veertigdagentijd

Vrije gedachtenis van de heilige Casimir
Casimir werd geboren te Krakau in 1458. Hij was de zoon van koning Casimir IV en zijn vrouw Elisabeth, dochter van de koning van Bohemen en Hongarije. Op 13-jarige leeftijd werd hij door de Hongaarse adel tot koning van Hongarije uitgeroepen, maar zijn rivaal Mattias Corvinus verhinderde dat vanwege eigen koninklijke ambities. Casimir legde zich daarbij neer en wijdde zich geheel en al aan het geestelijk leven. In 1481 wees hij een huwelijk met de dochter van de Duitse keizer Frederik III af, omdat hij omwille van het Rijk der Hemelen ongehuwd wilde blijven en de gelofte van kuisheid had afgelegd.
Toen zijn vader naar Litouwen vertrok om daar zijn rijk te verdedigen tegen de Russen, werd Casimir van 1479 tot 1483 regent. Spoedig verwierf hij grote achting van het volk, omdat hij het rijk rechtvaardig en mild bestuurde. Hij kreeg de bijnaam 'Broeder en Beschermer der Armen'. Zijn belangrijkste politieke prestatie was het herstel van de maatschappelijke veiligheid na de grootschalige terreur van roversbendes. Op weg naar zijn vader in Litouwen werd hij getroffen door een longziekte. Daaraan bezweek hij op 4 maart 1484 aan het koninklijk hof in het Litouwse Grodno, nu gelegen in Wit-Rusland.
Casimir was een groot vereerder van de Moeder Gods en de heilige Eucharistie. Paus Clemens VIII verklaarde hem in 1602 heilig. Zijn graf bevond zich in de Dom van Vilnius, de hoofdstad van Litouwen. Na de verandering van deze kerk in een museum werd zijn gebeente overgebracht naar de Petrus-en-Pauluskerk in Vilnius.


Eerste lezing: Uit de profeet Jeremia, 17, 5-10.
Dit zegt God de Heer: Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt, die steunt op een schepsel en zich afkeert van de Heer. Hij is een kale struik in de steppe, nooit krijg hij regen. Hij staat op dorre woestijngrond, in een onvruchtbaar, verlaten gebied. Gezegend is hij die op de Heer vertrouwt, en zich veilig weet bij Hem. Hij is een boom aan een rivier, de wortels tot in het water. Hij heeft geen last van de hitte, zijn bladeren blijven groen. Een tijd van droogte deert hem niet, hij blijft altijd vrucht dragen. Niets is zo onbetrouwbaar als het hart, onverbeterlijk is het, wie kan het peilen? Ik, God de Heer, doorgrond hart en nieren, Ik vergeld ieder naar zijn gedrag, naar de vrucht van zijn werk.


Tussenzang: Ps. 1, 1-2. 3. 4. 6.
Antifoon:Gelukkig is de man,
die op de Heer zijn hoop stelt.

Gelukkig de man die weigert te doen
wat goddelozen hem raden;
die niet de wegen der zondaars gaat,
niet zit te midden der spotters.

Hij is als een boom, aan het water geplant,
die vruchten draagt op zijn tijd;
des zomers verdorren zijn bladeren niet,
maar al wat hij doet brengt hem voorspoed.

De goddelozen vergaat het zo niet:
de wind blaast hen weg als kaf.
De Heer immers let op de weg der gerechten,
de weg van de zondaars loopt dood.


Vers voor het Evangelie: Ps. 130 (129), 5. 7.
Op de Heer stel ik mijn hoop, op zijn woord vertrouw ik; want de Heer is steeds barmhartig, zijn genade onbeperkt.


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas, 16, 19-31.
In die tijd zei Jezus tot de FarizeeŽn: Er was eens een rijk man die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feest vierde, terwijl een arme, die Lazarus heette, met zweren overdekt voor de poort lag. Hij verlangde er naar zijn honger te stillen met wat bij de rijkaard van de tafel viel. Maar er kwamen alleen honden die zijn zweren likten. Nu gebeurde het dat de arme stierf en door de engelen in de schoot van Abraham werd gedragen. De rijke stierf ook en kreeg een eervolle begrafenis. In de onderwereld, ten prooi aan vele pijnen, sloeg hij zijn ogen op en zag van verre Abraham, en Lazarus in diens schoot. Toen riep hij uit: Vader Abraham, ontferm u over mij en geef Lazarus opdracht de top van zijn vinger in water te dopen en mijn tong daarmee te komen verfrissen, want ik word door de vlammen hier gefolterd. Maar Abraham antwoordde: Mijn zoon, herinner u hoe gij tijdens uw leven uw deel van het goede hebt gekregen en hoe op gelijke manier aan Lazarus het kwade ten deel viel; daarom ondervindt hij nu hier de vertroosting maar wordt gij gefolterd. Daarenboven gaapt er tussen ons en u voorgoed een wijde kloof, zodat er geen mogelijkheid bestaat, - zelfs als men het zou willen - van hier naar u te gaan noch van daar naar ons te komen. De rijke zei: Dan vraag ik u, vader Abraham, dat gij hem naar het huis van mijn vader wilt sturen, want ik heb nog vijf broers; laat hij hen waarschuwen, opdat zij niet eveneens in deze plaats van pijniging terecht komen. Maar Abraham sprak: Zij hebben Mozes en de profeten; laat ze naar hen luisteren. Maar hij zei: Och neen, vader Abraham. Maar als er een uit de doden naar hen toegaat, zullen ze zich bekeren. Hij echter sprak tot hem: Als ze naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen ze zich ook niet laten overreden als er iemand uit de doden opstaat.