Dogma
Een dogma is geen toevoegsel aan het oorspronkelijk evangelie en zeker geen nieuwe openbaring, maar een ambtelijke, vaste en bindende, voor heel de Kerk verplichtende uitleg van de openbaring (die eens voor altijd heeft plaatsgevonden).
Een dogma valt nooit uit de lucht, maar stoelt als geloofsgoed op een breed ervaren overtuiging. Dogma's zijn afgekondigd/gesteld in de taal van hun tijd, de betekenis hangt dus ook af van de zeggingskracht van de taal die toen gebruikt is.
Het is belangrijk te weten, dat geen enkele formulering, ook geen dogma, de volheid van het Evangelie geheel kan behandelen. Er is daarom onderscheid tussen geloofswaarheden en hun uitdrukkingswijze in concrete vormgeving. Toch hebben wij uitspraken nodig omdat zij ons steunen om de ene waarheid van het geloof gemeenschappelijk te kunnen belijden.
"Door de bijstand van de heilige Geest kan het verstaan van zowel de werkelijkheden als van de woorden van de geloofsoverlevering, groeien in het leven van de Kerk" zegt no. 94 van de Catechismus van de katholieke Kerk. De heilige Schrift moet worden gelezen en verklaard in het licht van dezelfde Geest, door wie ze geschreven is.

Meer over dogma's - ook over de onderstaande - vindt u in de Catechismus van de katholieke Kerk, ISBN voor Nederland: 7989030407188. (nr. 88.89,90)

De Kerk kent 4 dogma's over Maria:
  • 431 n. Chr., het concilie van Efeze. Maria, in de evangelies "de Moeder van Jezus" genoemd (Joh. 2, 1; 19, 25 / Mt. 13, 55) wordt in de kracht van de Geest reeds vr de geboorte van haar Zoon aangesproken als "de Moeder van mijn Heer" (Lc. 1, 43). Immers, Hij, die door haar als mens van de heilige Geest ontvangen is en die werkelijk haar Zoon naar het vlees geworden is, is niemand anders dan de eeuwige Zoon van de Vader, de tweede persoon van de heilige Drieenheid.
    De Kerk belijdt dan ook dat Maria werkelijk Moeder van God (Theotokos) is, aangezien zij de Moeder is van de eeuwige, mensgeworden Zoon van God, die zelf God is.
  • 649 n. Chr., het concilie van Lateranen. Maria altijd maagd. Vanaf de eerste formuleringen van het geloof heeft de Kerk beleden dat Jezus alleen door de kracht van de heilige Geest in de schoot van de maagd Maria ontvangen is, waarmee zij ook het lichamelijk aspect hiervan bevestigt: Jezus is ontvangen "van de heilige Geest zonder mannelijk zaad". De verdieping van het geloof in het maagdelijk moederschap heeft de Kerk ertoe gebracht de werkelijke en blijvende maagdelijkheid van Maria, zelfs bij het baren van de mensgeworden Zoon van God, te belijden: de geboorte van Christus "heeft de maagdelijkheid van zijn moeder niet verminderd, maar geheiligd". Maria is maagd, omdat haar maagdelijkheid "het teken van haar geloof is", dat door geen enkele twijfel geschonden werd, en van haar onverdeelde overgave aan de wil van God. Juist dit geloof laat haar de Moeder van de Verlosser worden. "Maria is gelukzaliger omdat haar het geloof in Christus geschonken wordt, dan omdat zij het vlees van Christus ontvangt" zegt Augustinus. De liturgie van de Kerk viert Maria als de Aeiparthenos, "altijd maagd".
  • 1854 n. Chr., paus Pius IX. De voorbestemming van Maria. Om Moeder van de Verlosser te zijn werd Maria "door God begiftigd met gaven die pasten bij een zo grote taak". De engel Gabril begroet haar op het ogenblik van de boodschap al als "vol van genade". Immers, om de vrijwillige instemming van haar geloof te kunnen geven bij de aankondiging van haar roeping mest Maria wel geheel gedragen worden door Gods genade.
    De Kerk is zich door de eeuwen heen ervan bewust geworden dat Maria "door God begenadigd" (Lc. 1, 28), vanaf haar ontvangenis verlost was. Dit verkrijgt zij geheel van Christus (Ef. 1, 3+4). Vanaf het eerste ogenblik van haar eigen ontvangenis in hr moeders schoot is zij gesierd met bijzondere luister. De Kerkvaders uit de oosterse traditie noemen de Moeder van God "de geheel heilige" (Panaghia), zij vieren haar als "vrij van iedere zondesmet, als het ware gevormd door de heilige Geest en gemaakt tot een nieuw schepsel". In het westen is de term Maria onbevlekt ontvangen ingeburgerd. Door Maria wordt duidelijk, wie Jezus Christus is en wat Hij als heil en hoop voor ons betekent. Dat is haar grootheid en haar eenvoud. Zij is het teken dat God en zijn genade voorafgaan aan heel ons bestaan en aan al ons doen en laten, maar er tevens op voorliggen. Wij zijn dus niets uit onszelf, maar alles uit en in God. Door Gods genade is Maria heel haar leven vrij van iedere persoonlijke zonde.
  • 1950 n. Chr., paus Pius XII. Maria ten hemel opgenomen. De lichamelijke opneming van Maria in de hemelse heerlijkheid. Of anders gezegd: Maria het oerbeeld van echte, christelijke hoop; de voltooiing van de gehele mens; ook het lichaam wordt gered. Deze hoop kan zich doen gelden, omdat Jezus Christus van de doden werd opgewekt. "Tenslotte is de onbevlekte Maagd, gevrijwaard van iedere smet van de erfzonde, na het voltooien van haar aardse levensloop, met lichaam en ziel in de hemelse heerlijkheid opgenomen en door de Heer verheven tot koningin van het heelal om zo gelijkvormiger te worden aan haar Zoon, de Heer der heren en de overwinnaar van zonde en dood." De tenhemelopneming van de heilige Maagd is een bijzondere deelname aan de verrijzenis van haar Zoon en een vooruitlopen op de verrijzenis van de andere christenen.